Intervaltraining 17 januari

Deze keer staan er ingedeelde achthonderdjes op het programma. Dat gaat als volgt:

  1. 3 x (800-400R) uiteraard aan 800m-tempo
  2. 3 à 5 x (400-200-200-400R) met 400 aan 800m-tempo, dan 200 iets trager en ten slotte 200 iets sneller dan 800m-tempo

Succes ermee, ik kan er vanavond om familiale redenen niet bij zijn.

Advertenties

Intervaltraining 3 januari

Ach, goede voornemens, ze komen en ze gaan, maar intervaltrainingen, wel, die blijven eeuwig bestaan. Alles zit erin, net zoals in een opera: de emoties, de kommer en de kwel, de pijn en de beloning, de inspanning en de rust, the high and the low. De microkosmos van het lopen, soit. En geen intervaltraining is beter om het nieuwe jaar in te zetten dan een goede oude piramidetraining.

  1. 2 x (800-400R-600-200R-400-200R-600-200R-800-400R)
  2. 600-200R-400-200R-600 (optioneel en enkel voor de snelle jongens)

tempo: 800 en 600 aan 800m-tempo; 400 1 à 2″/100m sneller

Niet vergeten: nieuwjaarsreceptie DCLA op maandag 8 januari in de Elfkamper om 20u.

Strijdmakkers

Vorig jaar had ik een kort verhaal geschreven voor de Leesloop, die werd georganiseerd door Stefan Boonen en Ludo Teeuwen. Dat verhaal ging over de hypnotiserende, ja zelfs wat dwangmatige uitwerking van lopen op ons. Voor de Leesloop van dit jaar heb ik opnieuw een kort verhaal geschreven, waarin de concurrentie én de camaraderie in het lopen aan bod komt. Maar we beginnen met een korte ode aan de kleine lokale dorpsjogging.

Het was een kleine lokale dorpsjogging, het soort loopwedstrijden waar het startsignaal wordt geroepen en waar aan de aankomst iemand je borstnummer intikt op een laptop. Het soort wedstrijden waar je het inschrijvingsgeld ter plaatse met enkele muntjes betaalt en waar je aan de finish nog een zakje krijgt met een appel, een blikje drank, een koekje en een shampoofles van de sponsorende supermarkt. Het soort waar je aan de start niet wordt opgezweept door luide dancemuziek, maar waar je enkel het gekeuvel en gelach hoort van je medelopers. Het soort dat je leidt over betonwegjes en veldwegjes met plassen in plaats van over brede stadslanen. Het soort waar je wagen je kleedkamer is omdat er eigenlijk nauwelijks kleedkamers zijn. Het soort waar de borstnummers met de hand zijn geschreven. Het soort waar je met enkele tientallen aan de start staat in plaats van met enkele duizenden, het soort waar je geen smartphones ziet maar wel overjaarse loopkleding en loopschoenen, met ongelukkige kleurcombinaties. Lang leve de lokale dorpsjoggings.

We kuierden naar de startlijn, afijn, naar de plaats waar we veronderstelden dat die was. We keken afwachtend – nog steeds keuvelend en lachend – naar de organisator, die ons nog wat informatie gaf, al was het maar de richting waarin we moesten vertrekken. Dan telde hij af en weg waren we, een groep lopers zonder toeschouwers als je tenminste de koeien in de wei niet meetelt.

Enkele minuutjes na de start vond ik mijn ritme en was het lopersveld al flink uitgerekt tot een lang sliert in het heuvelige landschap. Een eindje voor mij liep iemand aan ongeveer hetzelfde tempo. We kwamen naast elkaar en we taxeerden elkaar even. Ik voelde dat ik hem beter niet zou voorbijlopen of ik zou mezelf opblazen. Er werd geen woord gewisseld. We bleven bij elkaar lopen, want het waaide nogal hard. Nu eens liep ik voorop, dan weer hij. Er ontstond een stilzwijgend samenwerkingsverband. Allebei zaten we net niet in het rood – ik hoorde het aan zijn ademhaling – samen waren we aan het afzien. Maar samen ging het beter.

We kwamen aan een lang recht stuk met de wind op kop. Mijn medeloper liep een eind lang voorop, maar ik wilde geen profiteur zijn en ik liep langszij om de kop over te nemen. Hij glimlachte even en voegde dankbaar achterin. Geen woorden nodig.

We waren nog een paar kilometers van de aankomst toen een zeldzame en zelfs geëngageerde toeschouwer riep: “Komaan, goed zo, nummers drie en vier!”.

Drie en vier. Onze blikken kruisten elkaar even, we namen elkaars maat op. Wie wordt drie, wie wordt vier? We bleven samenwerken, maar we hielden mekaar in het oog. Hoe goed zit hij nog? Zou hij zo dadelijk gaan versnellen? Zou ik het doen? Hoe ver is het nog? Zou hij een goede eindsprint hebben? Hij is wel jonger. Want dan moet ik nu al een gat slaan. Mmm. Daar op die bergop misschien?

We luisterden naar elkaars ademhaling. De zijne was wel zwaar, maar misschien doet hij alsof. Misschien loopt hij mij er dadelijk af van zodra ik een versnelling plaats.

De laatste kilometer. Daar kwam een scherpe bocht in het betonnen wegje waarop we liepen en plots zag ik een flinke put in de weg. Ik stak mijn hand uit om mijn medeloper achter mij te waarschuwen. Maar dan hoorde ik een kreet. Ik keek om en zag hem nog net languit, met de handen naar voor, op het beton belanden. Auw.

Ik stopte onmiddellijk en ik draaide me om. “Gaat het?”, riep ik, en ik voelde me al dadelijk schaapachtig. Hij bloedde aan zijn handen en zijn knieën, natuurlijk ging het niet.

“Kom, loop maar door”, riep hij, terwijl hij daar stond, verbaasd en hulpeloos kijkend naar zijn schaafwonden. Langzaam begon hij terug te lopen, al was het eerder joggen.

Ik versnelde en liep weg van hem. Yes. Nummer drie.

Maar dan keek ik opnieuw om en vertraagde. Dat kon ik niet maken. Zo wil je niet aankomen aan de finish. Het is een wedstrijd, maar het is maar een wedstrijd. Ik jogde rustig tot hij terug bij me was. Ik zag de grimas op zijn gezicht terwijl hij me houterig bijbeende.

“Komaan, loop door, ge moet niet op mij wachten”, zei hij, zichtbaar gegeneerd.

“Och, het is niet ver meer”, zei ik luchtig, “We lopen gewoon samen binnen. Ze zijn nog ver genoeg achter ons.”

“Oh shit, ik ben helemaal stijf”, vloekte hij.

Zij aan zij jogden we naar de finish, eerst langzaam, hij nog steeds verkrampt, maar dan ging het beter en kon hij sneller lopen.

Hij probeerde nog eens: “Zeg, ga maar door, ge moet hier niet wachten op mij”.

Ik keerde het morele dilemma om: “En als ík nu was gevallen, zoudt gij dan op mij wachten?”

Hij glimlachte en zei “Nèh. No way.” Ik glimlachte terug.

Zij aan zij hobbelden we naar de finish en samen kwamen we over de streep. We zagen de verwarring bij de man aan de laptop die moest kiezen wie eerst was. Ik wees naar mijn medeloper. Hij wees naar mij. De man aan de laptop haalde zijn schouders op en tikte maar wat.

We klopten elkaar glimlachend op de schouder.

“Goed gelopen. Het was tof om samen te werken.”, zei ik.

“En bedankt om te wachten; dat was erg sportief.”, zei hij.

“Volgend jaar opnieuw?”, vroeg ik.

“Ja, ja. Maar dan moogt gij eens vallen en dan zal ik op u wachten, ok?”, antwoordde hij glimlachend.

We gaven elkaar een hand, draaiden ons om en gingen elk onze weg.

Toen ik in mijn wagen stapte en wegreed, bedacht ik dat ik niet eens zijn naam had gevraagd. Maar we hadden samen gelopen, tegen elkaar en met elkaar. We waren strijdmakkers geweest. Dat is genoeg.